De “Sprengchemie” (Kruitfabriek) in Oderberg

Een geschiedenis verteld door een Oderbergse

In het jaar 1939 werd ik, zoals alle vrouwen uit Oderberg de dienstplicht opgelegd. Dit bevel kwam van de hoogste baas van de Sprengchemie, Daneel of Daniël, wiens bevoegdheid zich uitstrekte van Oderberg tot Hohensaten. We kregen daar onze werkplek aangewezen. Ik moest werken aan een pers. De kleding die we kregen waren uniform, zo ook onze handschoenen en schoeisel. Want het poeder wat we bewerken moesten was heet geweest en menigeen heeft hier zijn vingers aan gebrand. De luchtkwaliteit in de werkruimte was vol ongezonde dampen, die van het hete poeder afkwam. De eerste tijd hadden we allemaal hoofdpijn, het was bijna ondragelijk, maar het lichaam paste zich op de duur aan.

Het hele arbeidsproces in de werkruimte was het volgende: Het poeder werd heet gewalst en daarvoor waren meerdere walsen nodig. Maar er moest zeer zorgvuldig gewerkt worden, want er mochten geen vreemde stoffen binnendringen. We mochten geen haarspelden en geen naalden in het haar o.i.d. dragen. Het gewalste poeder had daarna een vaste vorm aangenomen, dit werd genoemd een deken. Toch kwam, ondanks alle veiligheidseisen en voorschriften, het toch voor dat het tot zelfontbranding kwam, door allerlei onbekende oorzaken.

Wij kregen deze dekens aan de persen aangeleverd en moesten deze in stukken snijden, te weten dat het door meerdere grote openingen werd gebracht, zodat het aan het einde van de lijn eruit kwam in verschillende dikten als springstofstangen, al naar dikte waarvoor het bestemd was.

Op een zekere dag was ik getuige van een ongeluk aan de wals. Een Italiaan wilde vroeger dan het officiële tijdstip beginnen, maar door onbekende oorzaak ontplofte de zaak en hij werd de lucht in geslingerd. Hij werd volledig aan stukken gescheurd en zijn hoofd hing in een boom. Het kwam steeds vaker voor dat de deken de lucht invloog. Men zag dan een hel licht wat we vaak in de verte hebben gezien, speciaal in het donker als de nachtploeg aan het werk was begonnen. Tijdens luchtalarm hebben we altijd in angst geleefd dat de vliegtuigen dit konden zien en dan gingen bombarderen. We moesten bij luchtalarm altijd in die bunker, die erg ondiep was uitgegraven, hij lag bijna aan de oppervlakte.

Ik verdiende per week 35 Mark bij 8 uur arbeid per dag. Het was ploegendienst. De ochtendploeg begon om 6.00 uur en eindigde om 14.00 uur enz., zaterdag en zondag hadden we vrij. Te eten kregen we daar niets, maar wel was het voorschrift dat we melk moesten drinken en we konden zoveel drinken als we wilden. We hebben brood meegenomen, die ik niet lustte en ik wilde ze ook niet mee terug nemen naar huis, mijn moeder smaakte het niet want alles rook naar het poeder. Maar wij wenden eraan en hebben het later helemaal niet meer gemerkt.

Ik heb gewerkt in de Sprengchemie van 1939 tot 1944. Maar plotseling kwam het bevel dat we alles zouden laten liggen, het werk verlaten want de Russen hadden een bruggenhoofd geslagen. De Rus is al zo ver genaderd dat het zo beter was dat wij vertrokken, maar de vrouwelijke Russen moesten allemaal binnen blijven en kregen de opdracht alles op te ruimen. Ze stonden allemaal perplex en sommigen begonnen te huilen. Toen we allen naar huis gingen zag het uit als een grote volksverhuizing. Daar waar ik gewerkt had waren zeer veel mensen aan het werk geweest, veel meer dan ik ooit geweten heb. Meer dan duizend mensen hebben daar gewerkt. Daarvoor heb ik dat nooit gemerkt omdat velen met bussen, fietsen of een andere vorm van vervoer daarheen zijn gekomen. De huizen in de nederzetting en in het Steinlager waren vol bezet. Er woonden daar meisjes uit het Rijnland. Hollanders, Fransen, Italiaanse meisjes en krijgsgevangen Italianen, Russen, die alle daar tewerk waren gesteld. Ik heb daar met een Russin samen gewerkt, die me vertelde dat de Duitsers toen zij kwamen zeiden ze dat ze kleding, geld en eten zouden krijgen als ze mee gingen naar Duitsland om daar te werken, ze hoefden niets mee te nemen. Toen werden ze meegenomen en verdeeld in allerlei bewapeningsbedrijven. Met de tijd leerden ze ook een beetje Duits spreken. Ik heb ook met een Volksduitse gewerkt die in Leningrad (St.Petersburg) woonde. Ik moest met veel Russen werken en heb mijn brood met ze gedeeld.

Ene mevrouw Mattot uit Oderberg heeft de meisjes vaak geslagen. Ze is dan met ze in de pompruimte gegaan, waar ze hen heeft afgetuigd. Ik heb haar wel eens gevraagd: “Waarom sla je toch altijd die meisjes, ze zijn toch net zoals wij mensen”? Daarop kreeg ik het antwoord: “ Ze moeten niet zo luieren, ze kunnen het nog beter”. Na de oorlog heeft ze zich hier niet meer laten zien, want ze was denk ik, bang voor represailles.

Na de oorlog ben ik tewerk gesteld in een Ölberg , (hier is geen andere vertaling voor te vinden!!), waarschijnlijk een raffinaderij. Daar moesten we voor de Russen met het demonteren helpen. Ik heb daar meer dan drie jaar gewerkt, kabels bloot leggen, kabels eruit halen enz. In deze Ölberg moesten lassers alles afbranden en ik moest daar altijd bijstaan met een brandende lont, als de lasbrander uitging moest ik hem weer aansteken. De lassers lagen op boomstammen en ik moest me al balancerend hierop voortbewegen. De lont was gemaakt van gedraaid papier en dat staken we dan aan. Daarna hebben ze me een beitel in de hand gedrukt en moest ik de ijzeren dragers doorhakken. Het was een vreselijke zware arbeid voor ons vrouwen.

Het poeder bestond uit vele soorten, bijvoorbeeld P3, wat pas later ontdekt werd toen de boel werd afgebroken. Het kon gebruikt worden als een zeer sterk wasmiddel, waarmee we aan de gang gingen om thuis te wassen. De mannen hebben van daar spiritus meegenomen, waarvan ze een jenever hebben gemaakt en die ze dan hebben opgedronken. Mijn vader vroeg me of ik ook wat voor hem mee wilde brengen. Toen kwam er een Rus bij mijn vader en vroeg hem of hij jenever had en dat heeft vader hem verkocht. Toen zei de Rus tegen hem als hij hierdoor “ “kaputt” ging, dan ook mijn vader “kaputt”. Omdat verschillende die dit gedronken hebben , eraan zijn overleden.

We hebben ook nog olie mee naar huis genomen, en mijn moeder heeft daar nog pannenkoeken van gebakken. De olie is bij ons later uit de poeperd gelopen, het lichaam heeft het niet geaccepteerd. Mijn broer werkte hier op de bank en is een keer naar huis gekomen met een grote olievlek van achteren aan zijn broek en ik had een witte rok aan met een blauwe bloes daarboven en ben gaan dansen in de dancing “Im Adler” Toen ik naar huis kwam constateerden we dat ik ook een grote vlek van achteren op mijn rok had.

De drie jaren bij de geallieerde bezettingstroepen hebben voor het pensioen dubbel geteld. De Russen hebben alleen maar gesloopt, alle apparatuur werd in kisten gedeponeerd en voor transport gereed gemaakt. Wij moesten wel alle kisten van Russische opschriften voorzien.

Veel Duitsers hebben gehaald wat er te halen viel. Maar het betreden van het terrein ging niet zo eenvoudig, ieder moest zich melden bij de controlepost en dat ging niet altijd goed, velen werden dan ook niet toegelaten. Vele hebben via een gat in de grond toegang gevonden en zijn er weer uitgekomen via het spoorwegemplacement. Ik ben ook een keer zo gegaan. In deze tijd hebben we geallieerd geld ontvangen, dit geld was heel kleurig uitgevoerd. ’s Middags kregen we warm eten en konden we ook melk drinken. Ik heb overhemden van mijn man geruild met de Russen, tegen een kan met boter.

Naar het werk reed een bus, waarbij de laatste halte Oderberg was. Daar had ieder zijn eigen plek, de ingang van het werk was daar waar ook heden de ingang is voor het object van het leger, namelijk de straat die naar beneden loopt bij de BHG. Daar stond de bewaking en moest men zijn toegangspas tonen, die men daar had gekregen. Dan kwamen we in een hal waar er een stempel op de kaart gedaan moest worden. Ieder had een eigen kaart en je mocht niet naar huis toe zonder dat deze afgestempeld was. Mijn man is een keer met verlof gekomen, hij had de bewaking opgebeld en die hebben mij op hun beurt verteld wat er aan de hand was, maar het heeft toen nog lang geduurd voordat ik naar huis mocht komen.

Ik was zo ingewerkt, dat ik zelfs in mijn slaap droomde over het werk. Ik bevond me onder een walsmachine, ik kon ook boven walsen, waar de dekens in een groter apparaat ingestoken werden. Hierbij was uiterste precisie geboden dat alles volgens een bepaald patroon zich afspeelde, want de matrijzen waarin de gaten zaten waar de draden doorheen getrokken werden, moesten brandschoon zijn, want anders kon dit ding in de lucht vliegen. Beneden was een ventiel waaraan een wijzer zat en daaraan kon men lezen hoe hoog men instellen kon. Aan een wiel die aan de zijkant zat moest men daar aan de ventielinstelling draaien. Wanneer de wijzer te hoog ingesteld werd, was er het gevaar dat de deken uit de pers klapte, die daardoor diegenen boven aan stukken scheurde. In dit gedeelte waren meerdere persen en walsen, de kantine, kleedruimte en douchen.

We hebben er altijd hartgrondig op gescholden en gehoopt dat het gauw voorbij was.Voor onze arme mannen aan het front maakten wij het poeder. Toen kwam plotseling het verhaal dat de fabriek zo was samengesteld dat het in een zeer korte tijd tot een zeepfabriek kon worden omgetoverd. Als dat het geval was geweest, dan was ik daar direct aangevangen. Alles kon men in het bos vinden, maar dan ondergronds in bunkers, die bovenop ter camouflage beplant waren met bomen. Op het terrein stonden hier en daar grote olietanks, die we na de oorlog ook schoon moesten maken.

Wanneer in de Sprengchemie een deken explodeerde dan kon men dit zelfs op de brug in Oderberg zien. De directeur van het bedrijf heette Niob en die heeft voor zich een villa bouwen laten aan de oever, waar nu mevrouw Kroll woont. Daarvoor heeft hij gewoond in de Schwerterstraße, waar de Hahnel woonden, ook woonde hier Daneel. De villa werd beschoten toen de Russen naderden. Later heeft Kroll het weer opgebouwd. De rij huizen waar ook de Hahnels wonen,waren ook bestemd voor de voormannen en grootheden van het werk. Zo ook de kleine huizen in de nederzetting. In de ABC huizen woonden aan de Steinlager de vrouwen, die van verre kwamen, zoals van de Hollandse grens, het Rijnland, uit Bohemen en van de kusten. Die huizen waren alle gemeubileerd. Wat tegenwoordig de sporthal is, was toen de cultuurruimte voor evenementen en daar werd ook gegeten. Een vrouw die iets met Russische mannen had gedaan, kreeg een bord omgehangen, met de tekst “Hier staat een Russenliefhebster”, en werd bij de ingang als straf opgesteld. Waar tegenwoordig eengezinswoningen staan, achter het tankstation, stonden toen barakken voor gevangenen.

De Russin, waar ik al eerder over vertelde, was van beroep kapster. Zij is vaak meegegaan naar huis en heeft mijn haren gedaan. Ik heb haar daarvoor af en toe iets gegeven, bijvoorbeeld kousen o.i.d. Toen heeft men mij gewaarschuwd dat ik daarmee moest oppassen.

Maar met haar had ik medelijden en heb haar ook vaak iets te eten gegeven. Ze heette Marussia en vertelde mij dat ze in de barakken niet in kon slapen, want het stikte er van de luizen, daarom sliepen ze maar buiten op een woldeken. Men beloofde haar kleding te geven, maar dat waren valse beloften. Uit de werkkleding die ze verstrekt kregen, hebben ze bijvoorbeeld een grote hoeveelheid BH’s gemaakt. Daarnaast hebben zij van het linnen wat als verpakking diende bij de poederpers, vele soorten kledingstukken genaaid.

Ik woonde in het huis voor Pahl, aan de Puschkinufer. Die Mattot die de meisjes geslagen had, heeft zich niet meer in Oderberg laten zien. Het huis wat afgebrand is en staat aan de Angermünde Straße, was haar woonhuis. Zij woonde daar met haar ouders. Haar vader was Kuiper van zijn beroep en heette Schwitzke, zij is met een Mattot gehuwd.

Er was een kleine schietbaan, waar het poeder werd uitgeprobeerd. Daarvoor moesten we de staven dynamiet in kisten verpakken, deze hadden geen deksel. Deze kisten stonden naast onze werkplek. Diegene die de pers bediende, moest het dynamiet eraf halen, dat wij machinaal gesneden hadden. Dat was net een soort naaimachine. Het poeder kwam door de deken heel snel door, dan sneden we het met z’n tweeën. Tegenover me zat een andere vrouw. Voor ieder kwamen er dan twee lonten van de deken. Die moesten we dan vastpakken en onder een aangepast strijkijzer schuiven. Met een voetpedaal werd dit ijzer bedient en zo werd het poeder dan gesneden. Met de linker hand werd het poeder gerold, zodat het recht werd. Daarbij moest men goed opletten, want de lontdraad wikkelde verder af van de spoel en het gebeurde dat alles in de war liep. Dan moest de machine stop gezet worden, het restant van het poeder aan de onderzijde verwijdert worden, want het werd hard intussen. Het kwam dan in een afvalbak terecht en kon later weer hergebruikt worden.

De leidster van de pers nam van ons het poeder en rolde het ook nog een keer en verpakte het dan in een kist. De stangen moesten recht achter elkaar liggen, maar soms gebeurde het door het tempo wat ons werd opgelegd, dat het niet recht was gesneden, wat bij het stapelen in de kist werd opgemerkt en daarna weer uitgesorteerd. Dat werd weer afgevoerd voor herverwerking. Snelheid werd ons aangeraden. We kregen ook schafttijden: Ontbijt en lunch. In die tijd maakten we het ons gemakkelijk en verdreven de tijd met zottigheden. Als ik nachtdienst had, kwam het vaak voor dat ik al bij het begin van de werktijd stond te knikkebollen en staande tijdens het werk insliep. Door mijn collega’s werd ik tot de orde geroepen. Nee, de nachtdienst was niet fijn.

Ik werd geplaatst aan de pers als snijdster. We moesten de deken naar boven tillen, deze heeft 35 pond gewogen. We zijn begonnen met drie dekens, dat was om te wennen. Aan het einde hebben we 100 verwerkt, doordat we steeds meer ingewerkt raakten. Op het laatst werd er gewoon een wedstrijd van gemaakt wie de meeste dekens had vervaardigd, de een wilde de ander overtreffen. Ik was een keer jarig en toe hebben ze me overladen met bloemen en ze hebben een tafel gehaald en deze overladen met allerlei soorten fruit, teveel om op te noemen. Ze konden geen plaats meer vinden waar ze het allemaal zouden neerzetten. Op dat moment kwam er plotseling een controle ronde door de directeur Niob met zijn staf. Toen hij mijn tafel zag, met overvloed overladen, vroeg hij wie hier jarig was. Toen hij hoorde dat ik dat was zei hij dat dit gefotografeerd werd voor in de krant. Ik moest daarvoor naast de tafel gaan staan en het werd zo opgenomen. We hadden daar ook een Italiaanse die een groot talent bezat en geweldig kon zingen en dansen. Op het moment dat de leidster van de pers zich verwijderde, dan danste de Italiaanse op de tafel. Ze heeft vaak meegedaan aan een manifestatie en had daardoor bühne-ervaring opgedaan. Tijdens het werk werd veel gezongen, en als men vroeg: “Mevrouw die en die, gaat u a.u.b. naar pers 9”, en men vroeg wie zit er aan pers 9? “Mevrouw Taege! Daar ga ik graag heen, want daar wordt tenminste gezongen”. Maar toch heb ik vaak treurige liederen gezongen, omdat het leven erg eentonig was.

Met de gevangenen heb ik vaak medelijden gehad, die waren zo arm gekleed en liepen met lappen om de voeten en waren vervuild. Het schoonste waren de Fransen, die hebben vaak naar parfum geroken.

En toen kwamen ze bij ons langs om ons aan te monsteren. In het begin wist ik niet waarvoor, maar één die aan de pers werkte had zich opgegeven. Ze zou opzichter worden in een concentratiekamp en men beloofde haar betere kleding en verzorging en een hoger salaris, waarin ze toestemde. Wij vroegen haar waarom ze dit gedaan had en daarop antwoordde zij: “ Schreeuwen kan ik goed”.

Ik heb in die tijd veel geld gespaard, maar na de oorlog was dit vervallen, ik had er wel rente op gekregen, maar kon het niet meer opnemen.

Mijn man heeft de oorlog van het begin tot het einde meegemaakt. Hij stuurde me altijd zijn soldij op. We zijn in 1938 getrouwd. In 1939 werd hij voor de dienstplicht opgeroepen en moest zich melden in Königberg voor een 6 weken durende opleidingstijd. In de laatste weken van 1939 ben ik vroeg wakker geworden en toen vertelden de buren me dat de oorlog begonnen was, vanaf vanmorgen 5.00 uur wordt er al geschoten. Toen ging iedereen aan het hamsteren, waspoeder, koffie, suiker en meel werd ingeslagen. Mijn man moest van Königsberg direct naar Polen in het oorlogsgebied. In dit land duurde de oorlog niet zo lang en daarom werd hij overgeplaatst naar Frankrijk en vandaar weer naar Nederland, naar België, en vandaaruit weer naar Rusland. Hij was vrachtwagen chauffeur bij de Genie. Hij vervoerde soldaten, munitie en allerlei andere zaken voor aan het front. In 1942 is hij bij Minsk als vermist opgegeven, dit bericht is tijdens mijn vlucht verloren gegaan. Na drie jaar na de oorlog kreeg ik bericht dat hij in Russische gevangenschap was terecht gekomen.

Het einde van de oorlog beleefde ik in Neustrelitz, ik kon het nauwelijks geloven. Ik was daar ondergebracht bij een jonge vrouw en bij haar verwonderde ik me waarom er overal van die witte lakens uit de ramen hingen, ik wist toen nog niet wat dat allemaal te betekenen had. Velen zijn de straten opgegaan en hebben in winkels ingebroken en de winkelruiten kapot geslagen. Ook hebben velen zelfmoord gepleegd uit angst voor de Russen, die stonden bekend als erg wraakzuchtige mensen. Toen deze kwamen raakten we als eerste onze polshorloges kwijt. We zaten allemaal in de kelder toen ze binnen kwamen, bij ons was er ook een klein meisje die ze verwend hebben en heel lief tegen haar waren. Een koopman had in de kelder allerlei waren verstopt, diverse wijnsoorten, chocolade, koffie, bonbons, enz…. Toen de Russen dat hadden ontdekt, kregen we een grote schaal met bonbons en hebben dat onder elkaar verdeeld. Toen moesten we naar buiten op de binnenplaats ons verzamelen. “Hitler kaput en Woina niks”, hebben ze steeds geroepen. We moesten ons in een rij opstellen en ze vroegen ons of we horloges bij ons hadden en uit angst dat ze me wat deden, heb ik ze maar mijn horloge gegeven. De koopman hebben ze neergeschoten, want bij hem hebben ze ook de Nazi-vlag gevonden. Daar kregen we toch de schrik van, ook omdat ze met de wapens voor ons stonden…

Verteld door Anni Taege in 1985

(C) Theo Wand – Holland

a b o @ o d e r b e r g . i n f o
©1999-2010 Andreas Bonadt 

Webseitenzaehler

Spenden